Elk jaar in mei en juni staat vakantiegeld hoog op de agenda. Werknemers kijken ernaar uit, en voor werkgevers is het een moment waarop de loonadministratie nauwkeurig moet kloppen. Toch zien wij in de praktijk regelmatig vragen over de berekeningsgrondslag, de uitbetalingstermijn en wat er precies moet gebeuren bij ziekte of uitdiensttreding. In dit artikel zetten wij de regels voor 2026 helder op een rij.
Vakantiegeld — ook wel vakantiebijslag of vakantietoeslag genoemd — is een wettelijk verplichte jaarlijkse uitkering bovenop het reguliere loon. De gedachte achter de regeling is dat werknemers tijdens hun vakantie over voldoende financiële middelen beschikken. De verplichting is vastgelegd in de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (WML) en geldt voor vrijwel alle werknemers in loondienst — ongeacht de omvang van het dienstverband.
Alle werknemers met een arbeidsovereenkomst hebben recht op vakantiegeld. Dat geldt voor voltijdwerknemers, parttimers en werknemers met een nul-urencontract of oproepcontract. Ook werknemers die ziek zijn of verlof hebben opgebouwd, blijven vakantiegeld opbouwen over het doorbetaalde loon. ZZP-ers en freelancers vallen buiten de regeling — zij zijn geen werknemer in de zin van de wet.
Het wettelijk minimumpercentage voor vakantiegeld bedraagt 8% van het brutoloon over de opbouwperiode. Dit percentage is een harde ondergrens: u mag als werkgever nooit minder uitkeren, maar cao of arbeidsovereenkomst mag een hoger percentage voorschrijven. In de praktijk zien wij percentages van 8% tot 12% afhankelijk van de sector.
| Variant | Percentage | Grondslag |
|---|---|---|
| Wettelijk minimum | 8% | Brutoloon over opbouwperiode |
| Cao (afhankelijk van sector) | 8% – 12% | Kan ruimer zijn dan wettelijk minimum |
| Individuele arbeidsovereenkomst | ≥ 8% | Mag nooit onder wettelijk minimum |
De grondslag voor vakantiegeld is het brutoloon — maar niet alles wat een werknemer ontvangt telt daarin mee. Dit is in de praktijk een veelgemaakte fout. De hoofdregel is: structurele loonbestanddelen tellen mee, onkostenvergoedingen en eenmalige uitkeringen niet.
| Telt mee | Telt niet mee |
|---|---|
| Basisloon (vast maandloon of uurloon) | Kilometervergoeding en reiskostenvergoeding |
| Vaste ploegentoeslag | Thuiswerkvergoeding |
| Overwerkvergoeding (sinds 1 januari 2018, tenzij een cao anders bepaalt) | Onkostenvergoedingen (lunch, telefoon e.d.) |
| Vaste provisie of commissie | Eenmalige bonussen of gratificaties |
| Loon bij ziekte (doorbetaald loon) | WKR-verstrekkingen en eindheffingsloon |
| Loon tijdens verlof | Werkgeversaandeel pensioenpremie |
Twijfelt u of een bepaalde vergoeding in de grondslag thuishoort? De vuistregel is: als het een vergoeding van werkelijke kosten betreft, hoort het er niet in. Als het een vaste beloning voor arbeid is, hoort het er wel in.
De standaard opbouwperiode loopt van 1 juni tot en met 31 mei van het daaropvolgende jaar. Het opgebouwde vakantiegeld moet vervolgens in de maand juni worden uitbetaald — dus uiterlijk 30 juni — tenzij bij cao of schriftelijke overeenkomst een ander moment is afgesproken (art. 17 WML). Eerder uitbetalen mag: in de praktijk kiest de meerderheid van de werkgevers voor mei, zodat werknemers het vakantiegeld bij aanvang van het zomerseizoen ontvangen.
Let op: uw cao kan een afwijkende opbouwperiode of uitbetalingsmoment voorschrijven. Controleer dit altijd. Bij sommige cao's wordt vakantiegeld maandelijks of per kwartaal uitbetaald in plaats van jaarlijks. In dat geval moet dit expliciet in de arbeidsovereenkomst zijn vastgelegd.
Onderstaand voorbeeld gaat uit van een werknemer die het volledige opbouwjaar in dienst is geweest, bij een kleine werkgever op een vast contract.
* Indicatief voorbeeld op basis van 2026-tarieven: bijzonder tarief 40,20% (jaarloon € 36.000, band € 29.737–€ 38.883), werkgeverspremies ±17,11% — indicatieve benadering op basis van AWf laag (2,74%), Aof laag (6,27%), Wko (0,50%), Zvw werkgeversheffing (6,10%) en gemiddelde Whk; werkelijke premielast wijkt af per sector en contractvorm. Individuele situaties kunnen afwijken.
Is een werknemer niet het volledige opbouwjaar in dienst? Dan heeft hij of zij recht op vakantiegeld naar rato. U berekent het opgebouwde bedrag op basis van het aantal maanden dat de werknemer in de opbouwperiode in dienst is geweest.
Bij uitdiensttreding heeft de werknemer recht op uitbetaling van het opgebouwde maar nog niet uitbetaalde vakantiegeld. U berekent dit naar rato van het aantal gewerkte maanden in de lopende opbouwperiode. Vergeet dit niet op te nemen in de eindafrekening — het is een wettelijke verplichting.
Een veelgestelde vraag: bouwt een zieke werknemer vakantiegeld op? Het antwoord is ja. Zolang u als werkgever loon doorbetaalt tijdens ziekte — wat gedurende de eerste twee jaar verplicht is — bouwt de werknemer over dat doorbetaalde loon gewoon vakantiegeld op. De ziekte heeft geen invloed op de opbouw. Pas als een werknemer geen loon meer ontvangt (bijvoorbeeld na het verstrijken van de loondoorbetalingsperiode), stopt de vakantiegeldopbouw.
Valt uw bedrijf onder een cao? Controleer dan altijd wat de cao bepaalt over vakantiegeld. Een cao kan op de volgende punten afwijken van de wettelijke regels. Meestal gebeurt dat ten gunste van de werknemer, maar een cao kan binnen grenzen óók ten nadele afwijken — bijvoorbeeld een lager percentage of geen vakantiebijslag over overwerk. Voorwaarde is steeds dat loon en vakantiebijslag samen op jaarbasis ten minste 108% van het toepasselijke minimumloon bedragen:
Heeft u geen cao maar werkt u in een sector waar een cao algemeen verbindend is verklaard (avv)? Dan bent u ook gebonden aan die cao-bepalingen, ook als u geen lid bent van de werkgeversorganisatie die de cao heeft afgesloten.
Vakantiegeld is loon en wordt belast. Omdat het een bijzondere beloning is — een eenmalige uitkering die niet tot het reguliere maandloon behoort — houdt u als werkgever loonheffing in via de tabel bijzondere beloningen. Het toepasselijke tarief is afhankelijk van het jaarloon van de werknemer. Ter indicatie de tarieven voor 2026:
| Jaarloon (indicatie) | Bijzonder tarief 2026 |
|---|---|
| tot € 11.358 | 0% |
| € 11.358 – € 12.922 | 27,43% |
| € 12.923 – € 23.930 | 4,74% |
| € 23.931 – € 29.736 | 33,80% |
| € 29.737 – € 38.883 | 40,20% ← jaarloon € 36.000 valt hier |
| € 38.884 – € 45.592 | 42,01% |
| € 45.593 – € 78.426 | 50,47% |
| € 78.427 – € 143.554 | 56,01% |
| vanaf € 143.555 | 49,50% |
Het is verstandig om werknemers vooraf te informeren over het nettobedrag dat zij kunnen verwachten, zodat zij niet voor verrassingen staan. Voor werkgevers geldt bovendien dat over het bruto vakantiegeld ook de gebruikelijke werkgeverspremies verschuldigd zijn.
Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (WML), art. 15 — minimumpercentage vakantiebijslag 8% · WML art. 17 — uitbetaling in de maand juni (tenzij bij cao/schriftelijke overeenkomst anders) · WML art. 17 lid 3 — uitbetaling van opgebouwde vakantiebijslag bij einde dienstverband · Handboek Loonheffingen 2026, Belastingdienst — tabel bijzondere beloningen
Wij zorgen voor een nauwkeurige berekening van het vakantiegeld voor al uw medewerkers — inclusief parttime, ziek en uit dienst — zodat u voldoet aan de wettelijke verplichting en uw werknemers op tijd worden uitbetaald.
Neem contact op →